Gastcolumn Petra Bastiaensen
'Gewoon' opvoeden blijft de kracht van
pleegzorg
Er is sprake van een toename van de ernst van de
problematiek bij pleegkinderen. De zoektocht van pleegouders en
hulpverleners naar het verklaren van en omgaan met dit
probleemgedrag is vaak lang. In Nederland komen steeds meer
jeugdigen terecht in speciale voorzieningen voor hulp en onderwijs
voor psychische en gedragsproblemen, opvoedproblemen of lichte
ontwikkelingsachterstanden. Een aantal (pleeg)kinderen en hun
opvoeders heeft veel aan deze gespecialiseerde hulp en hoort daar
ook thuis. Maar een nuancering is op zijn plaats. Naast het nagaan
of gedrag past bij de situatie van het kind speelt de
maatschappelijke tendens in het omgaan met (probleem)gedrag een
rol.
Een pleeggezinplaatsing is een zeer ingrijpende gebeurtenis voor
een kind. Als gevolg van de scheiding van de primaire verzorgers
vertoont het kind een reactie die vergelijkbaar is met een
rouwreactie. Daarnaast kent elke ontwikkelingsfase specifieke
probleemgedragingen, die worden versterkt door stress. Er is in
feite sprake van een passende heftige reactie op een ingrijpende
gebeurtenis, daar waar gedrag soms wordt geduid als een stoornis.
Bepalend bij het onderscheid tussen een probleem en een stoornis is
de vraag of er omstandigheden in de omgeving zijn die het gedrag
van het kind kunnen verklaren. Als dit het geval is dan vormt dit
een aanwijzing voor het bestaan van een probleem en niet van een
stoornis. Bij het overgrote deel van de pleegkinderen spelen
omgevingsfactoren in de vorm van een problematische opvoedings- en
gezinssituatie en traumatische gebeurtenissen een rol.
Doorredenerend is er bij veel pleegkinderen sprake van een probleem
en niet van een stoornis. Daar waar bij een stoornis de aanpak
vooral bestaat uit het leren omgaan met de 'handicap' door het kind
en de omgeving, richt deze zich bij een probleem op het wegnemen
van belemmeringen. Het goede nieuws is dat het probleemgedrag bij
een pleegkind dus beïnvloedbaar is. De 'behandeling' bestaat
primair uit het verblijf in een veilige, verzorgende en
beschermende omgeving. Een voorbeeld van deze gedachtegang is te
vinden in de ontwikkelde visie op het omgaan met
hechtingsproblematiek. De gedachte 'het kind moet in therapie om de
gehechtheid te verbeteren' is vervangen door 'de opvoeder moet hulp
krijgen om sensitiever op te voeden'.
Een andere bepalende factor voor het omgaan met probleemgedrag
is de tijdgeest. In de huidige samenleving zijn enkele tendensen in
opvoeding waarneembaar. Ten eerste de tendens dat het
jeugdtolerantieniveau afneemt. Als opvoeders last hebben van het
gedrag van kinderen wordt dit niet opgelost door ruimte te geven en
grenzen te stellen, maar door 'iemand te bellen'. In het geval van
een pleeggezinplaatsing wordt het delen van deze
verantwoordelijkheid gefaciliteerd doordat er een pleegzorgwerker
voorhanden is. Ten tweede de tendens dat zorg en goede bedoelingen
meer dan voorheen worden vertaald in het inschakelen van
deskundigen zoals orthopedagogen, psychologen en kinderpsychiaters.
Daarmee worden tal van opvoedingsproblemen vertaald in
psychopathologie, ontwikkelingsstoornissen en disfunctionerende
gezinsinteracties, leidend tot indicaties en gespecialiseerde
behandelingen.
Bij pleegkinderen dient gewerkt te worden aan herstel van het
vertrouwen en inhaalgroei op meerdere ontwikkelingsgebieden.
Probleemgedrag van het pleegkind blijkt het opvoedingsgedrag van
pleegouders direct te beïnvloeden en te sturen. De aanhoudende
confrontatie met probleemgedrag resulteert in minder ondersteunend
opvoedingsgedrag en in meer autoritaire controle door pleegouders.
Een dergelijke opvoedingsstijl is niet effectief en resulteert weer
in een toename van probleemgedrag. Pleegouders zijn bij uitstek het
'middel' om gedragsverandering bij het kind teweeg te brengen.
Pleegouders moet dus worden geleerd om op een positieve en
effectieve manier met het probleemgedrag van hun pleegkind om te
(blijven) gaan. Hiertoe ontwikkelde trainingen zijn het meest
efficiënt als ze worden aangeboden gedurende het verblijf van het
pleegkind, de pleegouders de aangeleerde vaardigheden kunnen
oefenen en ze feedback krijgen over het gebruik ervan.
Professionals zijn hierbij tijdelijke partners die hun expertise
ten dienste stellen van het pleeggezin, zonder dat ze meteen de
regie overnemen. Het kind is het meest gebaat bij een
opvoedingsomgeving waarin sprake is van steun, veel aanmoediging en
realistische verwachtingen en waarin gedrag getolereerd,
gestructureerd en gereguleerd wordt. Opvoeden begint nog altijd bij
de pleegouders en niet bij het observeren, diagnosticeren en extern
behandelen van het pleegkind. 
Petra Bastiaensen
GZ-psycholoog/behandelcoördinator
De Zuidwester